| |
Pieter Vermeersch
De schilderkunst
heeft na de aanval in de jaren 1960 op het abstract-expressionisme vandaag
een nieuw elan gekregen. De actuele schilderkunst beweegt zich nu vrij
in een ruimte waarin de schilder opnieuw mag en kan vertellen.
Het verhaal is helemaal terug; het fait divers vindt een weg in verf die
spreekt vanuit een verlangen om wellicht het persoonlijke en het intieme
opnieuw aan bod te laten komen in een geïnformatiseerde wereld zonder
scheiding tussen het private en het publieke domein. Schilderkunst is
het medium bij uitstek om de wereld naar zijn hand te zetten, op een manier
die als uniek kan worden gedefinieerd. Het chevalet-schilderij
is terug en er wordt geschilderd zonder dat de (recente) erfenis nog van
tel zou zijn. De schilderkunst is een medium waarin de elasticiteit van
de verf als metafoor functioneert voor de wendbaarheid van denken en doen.
Maar weinig kunstenaars weten de schilderkunst in te zetten in een discours
dat zich beperkt tot het aftasten, definiëren en het op scherp stellen
van de ruimte die pas zichtbaar wordt via de architectuur. De ruimte als
inspirerende grondstof voor schilderkunst is het invullen van een verlangen
om die ruimte te accentueren en de toeschouwer/passant zich van die ruimte
daadwerkelijk bewust te laten worden.
De artistieke productie van Pieter Vermeersch (1973) is te beschouwen
als één verwonderde bevraging van hoe een kunstenaar zich
op een relevante manier kan verhouden tot de ruimte. Een dergelijk picturaal
uitgangspunt betekent ook het in acht nemen van het efemere karakter van
heel wat ingrepen/installaties die hooguit zichtbaar blijven tijdens de
periode van de presentatie. Het oeuvre van Pieter Vermeersch onderscheidt
zich door een internationale en historische verworteling met de avant-garde
vanaf de jaren 1960. Kunstenaars zoals Robert Ryman, Daniel Buren, Sol
LeWitt, Dan Graham en meer recent Günther Förg en Heimo Zobernig
zijn inzetbare ijkpunten bij de beschouwing van Vermeersch’ werk.
Tal van vroege werken op glas en ook zijn opvallende bijdrage aan Freestate
in Oostende (2006) stelden de kleur aanwezig in relatie tot het invallende,
natuurlijke of artificiële licht. Het gebruik van bestaande vitrineruimtes
en de constructie van zelfbedachte modules lieten de kleur en de handmatige
manier waarop die ‘vloeibare’ verf op het glas werd aangebracht
samenvallen met zowel het minimale als het gestuele. Het introduceren
van de schildershandeling in de context van statige installaties werd
een mooi contrapunt voor een kunstklimaat waarin het individuele spoor
van de handeling niet meer werd getolereerd.
Pieter Vermeersch liet zijn schilderkunstige installaties ook tijdens
de tentoonstelling van kleur veranderen en wist die veranderingen te fotograferen
en vast te leggen op video. Op die manier associeerde hij zijn kunst met
cinema en met het tonen van het verloop van de tijd via kleur in relatie
tot ruimte. Dit werk verhield zich niet alleen tot een helder en traceerbaar
procedé maar maakte het ook mogelijk om zonder schroom van een
esthetische ervaring te spreken waarin het begrip schoonheid zich diep
in de beleving van de kleur nestelde. Het bespelen van een vitrineruimte
van een galerie tot het zich toe-eigenen van de hele architectuur van
een kunstencentrum zoals STUK in Leuven (2006) liet de toeschouwer toe
op een anders gekleurde manier de wereld te bekijken en te ervaren. Deze
interventies verraadden de lichtjes utopische intenties van zijn artistieke
‘staan’ in de publieke wereld.
Het verzelfstandigen van het lumineuze aspect van de schilderkunst via
het (architecturale) membraan van het glas – als vlies tussen binnen
en buiten – krijgt vorm via lichtbakken met zichtbaar met de hand
aangebrachte vegen verf. Het felle, kunstmatige, witte licht in de boxen
wordt net zoals bij de tl-werken van de Amerikaanse kunstenaar Dan Flavin
de voorwaarde voor het bestaan en het bekijken van deze werken.
De beleving van de tijd is een ander fundament in het werk van Pieter
Vermeersch. De kleurgradatie die als procedé haar historische wortels
kent tot diep in het suprematisme en het tubisme is voor Pieter Vermeersch
een strategie om gaandeweg en alsof het een travelling van een
camera betrof, de tijd heel concreet zichtbaar en voelbaar te maken in
de verf. De verf ‘verloopt van nul naar vol’ en trekt de toeschouwer
mee in een abstract verhaal met een duidelijk begin- en eindpunt. In het
S.M.A.K. in Gent (2003) wist hij in een onmogelijk lange en hoge ruimte
twee monumentale kleurgradaties in een oneindige perceptie te bedwingen
via een haaks gemonteerde monumentale spiegel op het einde van de smalle
ruimte. In deze zaal speelde de toeschouwer alle coördinaten van
tijd en ruimte stilaan kwijt en werd de indrukwekkende interventie binnen
de context van een museum paradoxaal als niet-historisch ervaren. Eenzelfde
chromatisch scenario paste hij toe in het werk black 0 – 100
% exterior/interior (2004) in Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle. Op
de identieke binnen- en buitenmuur van het museum bracht Pieter Vermeersch
een kleurgradatie aan waarin binnen en buiten als het ware een loop werd
gecreëerd van wit naar (pik)zwart. Dit soort kunst weet zonder omhaal
en verhaal ervaringen los te weken die buiten de anekdotiek vallen.
Het gevecht met de tijd en de natuur was uitdrukkelijk aanwezig in zijn
openluchtbijdrage aan de tentoonstelling Speelhoven in Aarschot
(2003), waar hij in het weidse landschap een opvallende horizontale gele
lijn trok als markering/signaal in een groene context. In navolging van
de weliswaar kleurloze land art wist Pieter Vermeersch hier via
de schilderkunst een zinvol betekenisveld te realiseren waarin het idyllische
landschap op een rationeel-mathematische én esthetische manier
werd verstoord. De krachtsverhouding met de natuur en het licht leverde
een organische dialectiek op met het tijdens de tentoonstelling veranderende
groen van de dragende landschappelijke context.
De conceptuele complexiteit in zijn productie vond een synthese/focus
in een van zijn allerbeste werken die hij realiseerde in een ruime rotonde
van het MuHKA in Antwerpen (2006). De zaal was in een zwarte kleurgradatie
geschilderd en in het midden stond een enorme pivoterende spiegel die
door de bezoekers zelf kon worden gemanipuleerd. De perceptuele ervaring
tijdens het voortduwen van de zware spiegel was ronduit beklijvend; opnieuw
wist Pieter Vermeersch plaats, tijd en ruimte op een confuse wijze aanwezig
te stellen door hooguit de mogelijkheden te construeren van/voor bewegingen
in kleur in een spiegel.
Het autonome werk – veelal op grote canvasformaten – is ook
een permanente studie van verf en licht. In de perfect aangebrachte verf
schemert het verloop van de tijd door het geschilderde licht. De analyse
van kleur en het weergaloze aanbrengen van de verf waarin de subtiele
overgangen nauwelijks de hand van de kunstenaar laten vermoeden, zijn
strategieën die zijn canvasschilderijen bepalen in een richting die
knipoogt naar de historische avant-garde.
De kunst van Pieter Vermeersch houdt zich op in het domein waarin conceptuele
overwegingen gepaard gaan met het beoefenen van schilderkunst die de perceptuele
ervaring van de verf in een abstract en filosofisch daglicht plaatst.
Zijn schilderkunstige positie is in die zin uniek dat hij de brug slaat
tussen de avant-garde en het actuele verlangen om ideeën om te zetten
in materie die spreekt vanuit een directe, fysieke ervaring. De kleur
is hier alles en het licht blijft de voorwaarde voor het concretiseren
van de schoonheid die in de productie van Pieter Vermeersch het leven
ademt.
|